Nike: ‘In het bos moet je bewegen’
Box 1: Bewegingsspelen

Materiaal in box 1
□ 10 markeerhoedjes
□ Slackline en 2 boombeschermers
□ 4 springtouwen
□ 1 Indiaca shuttle
□ 10 gekleurde linten
□ Een klimtouw met lus
Je vindt hieronder mogelijke spelen die je kan uitvoeren met het materiaal in deze box. Let op: gebruik op eigen risico (wij zijn niet verantwoordelijk voor ongevallen)
Evenwichtsparcour op boomstammen
Opstelling: In de speeltuin ligt aan het pad van de composthoop een dikke boomstam en daarnaast verschillende rechtopstaande boomstronken van 30
cm hoogte.
Materiaal: afbakening met 10 markeeringshoedjes, kegels of -lint.
Spelers: meerdere spelers.
Spelregels: De spelers bakenen een begin/eindpunt en looproute af, zigzag tussen bomen, als evenwicht over de liggende boomstap en dan over de
verschillende rechtopstaande boomschijven en dan verder naar het eindpunt.
Wie de eindmeet haalt krijgt een punt.
Slackline
(alleen toegelaten onder begeleiding)
Opstelling: Span de slackline tussen twee stevige ankerpunten (bomen). De lijn hangt op ongeveer kniehoogte, dus niet hoger dan een halve meter. Zorg voor
een vlakke ondergrond zonder obstakels.
Bevestiging gebeurt met bevestigingsbanden : je wikkelt de band rond het ankerpunt, gebruikt boombeschermers om schade aan bomen te vermijden,
en span je lijn strak.
Materiaal: 1 slackline met spanmechanisme, boombeschermers
Spelers: 1 of meerdere personen.
Spelregels: De speler probeert over de slackline te wandelen zonder te vallen. Armen worden gebruikt voor evenwicht.
Je mag opnieuw starten zodra je de grond raakt.
Variatie: probeer achteruit te wandelen, stil te staan of op één been te balanceren.
Voor veiligheid mogen spelers niet onder de slackline komen wanneer iemand erop loopt.
Touwspringen
Opstelling: de dreef achter de pingpongtafel.
Materiaal: 4 Springtouwen. Pas de lengte aan. Bij individueel springen reikt het touw tot net onder de oksels wanneer je erop staat. Met twee draaiers: lang touw van ±3,5–5 m.
Spelers: Individueel 1 of meerdere springers, in team heb je 2 draaiers nodig en meerdere springers.
Spelregels: In startpositie staan de springer(s) in het midden van het touw. De draaiers draaien het touw in een gelijkmatig tempo.
De springer mag het touw niet raken. Er wordt ritmisch over het touw gesprongen. Meestal krijgt elke deelnemer een vaste tijd (bijv. 30 sec.) of aantal
sprongen. Als de springer het touw raakt, stopt de beurt of verliest punten.
Aantal correcte sprongen binnen tijd geldt als score.
Indiaca shuttle
Opstelling: De spelers staan in een kring of tegenover elkaar in 2 teams
Materiaal: De shuttle, met een gewicht van slechts 30 gram
Spelers: 2 ploegen van 2 tot 4 spelers.
Spelregels: De spelers vormen 2 ploegen. De Indiaca moet met vlakke hand worden geslagen (geen vuisten of vingers). Eén speler serveert door de Indiaca met de platte hand omhoog te slaan. Elke speler mag de Indiaca maar één keer aanraken voor die naar iemand anders gaat. Valt de Indiaca op de grond dan gaat een punt naar de tegenpartij of gewoon opnieuw starten.
Dassenroof
Opstelling: De spelers staan in een kring of tegenover elkaar.
Materiaal: Elke speler steekt een gekleurd lint in de achterkant van zijn broek, zodat ca 30 cm nog uitsteekt.
Spelers: minimum 4 spelers.
Spelregels: het doel is dat elke speler probeert om de linten van de andere spelers te bemachtigen zonder dat zijn eigen lint wordt uitgetrokken.
Wie als laatste overblijft wint het spel.
Touwklimmen
Opstelling: de schommel in de speeltuin.
Materiaal: klimtouw.
Spelers: 2 groepen van spelers
Spelregels: De spelers klimmen om de beurt het klimtouw omhoog. De groep die de meeste keren de bovenbalk kan aantikken wint.